… br. Everardus

MINDERBROEDER EVERARDUS WITTE, HET HEILIG BRUURKE VAN MEGEN

Lees hier meer over Br. Everardus’ en zijn leven: wie was hij, wat deed hij en hoe werkt zijn nalatenschap tot op de dag van vandaag door…

De jeugd van Everardus
Everardus Witte kreeg de naam Joannes bij zijn geboorte op 25 juli 1868 te Hoorn. Zijn vader Jan Casper was er zeepzieder. Tien jaar later verhuist het gezin naar Alkmaar, waar brouwerij De Burg van de familie Witte wordt voortgezet.

Lees meer

Everardus’ geboortehuis te Hoorn
Ouderlijk huis met bierbrouwerij te Alkmaar

De jonge Jan groeit op in een welvarend, sociaal bewogen, zelfverzekerd, voorbeeldig katholiek middenstandersgezin, dat goed bekend is met de franciscanen in Hoorn en later in Alkmaar. Daar heeft hij kennis gemaakt met het kloosterleven, dat hij al op vrij jonge leeftijd als zijn toekomstige levensweg ziet.

In het middenstandsgezin leert hij luisteren en zwijgen, want het katholieke leven in een protestants geregeerde omgeving wordt scherp in de gaten gehouden. Jan raakt bevriend met Evert Rijkenberg, die ook op jonge leeftijd het priesterschap voor zich zelf ziet weggelegd.

Zijn vader wordt in de gemeenteraad van Alkmaar gekozen. Hij maakt zich o.a. verdienstelijk als sociaal ingestelde werkgever, als initiatiefnemer van een voedselbank en als voorzitter van een bejaardenhuis. Zijn moeder is regentes van een weeshuis. Het op een sociale wijze omgaan en meeleven met de mensen in je omgeving is hem met de paplepel ingegeven.

Tot tweemaal toe doet de jonge Jan Witte een poging de opleiding op een klein seminarie te volgen, maar daar slaagt hij niet in. Zijn vriend Evert Rijkenberg echter wel.

Jan (Everardus) als misdienaar (schildering in de Alkmaarse Laurentiuskerk)

Hij is misdienaar in zijn parochiekerk Laurentius en maakt kennis met kunstschilder Klazener, die hem opleidt en als hulp in dienst gaat nemen. Het vervaardigen van religieuze kunst leert hij in die periode en zal hij zijn hele leven blijven uitoefenen. Hij laat veel kleine en grote schilderwerken na.

sluiten

Het kloosterleven van Everardus

Everardus’ pij


Toch blijft het kloosterleven hem boeien en na overleg met zijn ouders en zijn vriend Evert, treedt hij in november 1891 in Alverna in het klooster. Bij zijn professie neemt hij de naam Everardus aan. Daarmee drukt hij zijn vriendschapsband met priester Evert uit, wiens naam immers afgeleid is van Everardus.

Lees meer

Hij krijgt de taak van portier. Bij die taak behoort ook het schoonhouden van portiersloge en de gangen. Dat geldt eveneens in de kloosters waar hij nog werkzaam zal zijn. In Alverna krijgt hij er het onderhoudsschilderwerk bij.

Rechter zijaltaar (Franciscus, Lodewijk en Elisabeth)
Linkerzijaltaar Maria met Kind

Hij geeft te kennen ook religieuze kunst te willen schilderen en mag een schildering maken voor achter het altaar. Vanaf die tijd krijgt hij vanwege succes zelfs tot op hoge leeftijd opdrachten in die geest.(De schilderijen van de zijaltaren in de paterskerk van Megen en de inmiddels weer verdwenen muurschilderingen in de kapel van de Megense Clarissen waren van zijn hand.)

Hij stelt zich het kloosterleven voor als de meest haalbare weg om dicht bij God te komen door te bidden en ten dienste te zijn van zijn medebroeders, de bezoekers van het klooster en de mannen en vrouwen, die zich aan de kloosterpoort melden voor een aalmoes, voor geestelijke bijstand of voor gebed. Armoede heerst in die tijd alom. Ziekten, werkeloosheid en zorgen om het dagelijks bestaan van de medemens zullen daarom Everardus zijn hele leven lang beroeren.

Het Antoniusklooster in de tijd dat Everardus er woonde. Foto: Fotopersbureau Het Zuiden. Bron: collectie BHIC

Dat wordt dus in Megen, waar hij in mei 1899 dezelfde taak krijgt toegewezen, niet anders.

Hij is erg kritisch naar zijn wijze van vorm geven aan zijn kloosterleven. Steeds wil hij het verbeteren en neemt de strenge regels van de orde veel te zwaar op. Zijn gardiaan en biechtvader moeten hem met regelmaat er op wijzen milder te zijn in de naleving van die regels.

Hij leest geschriften van heiligen en overwegingen, die met het kloosterleven te maken hebben, maakt daar notities van en hanteert die bij het overdenken van zijn dagelijkse invulling van het minderbroeder zijn.

Korte tijd is hij in 1917 en 1918 portier in het voor hem te drukke klooster van Woerden en in het klooster van Heerlen, waar hij aan de poort de Limburgers en de buitenlandse mijnwerkers niet kan verstaan. Hij moet steeds medebroeders lastig vallen om de bezoekers te woord te staan.

Terug in Megen, waar hij zijn “lief stil kloosterke” weet, pakt hij dezelfde taken op. Die gaan hem goed af en al spoedig neemt het aantal bezoeken van mensen die om zijn advies of gebed vragen toe. Hij heeft een luisterend oor voor ieder die daar behoefte aan heeft en stelt kennelijk velen gerust met “Daar zullen we samen voor bidden.” Het vertrouwen in zijn voorspraak bij God neemt met de loop der jaren toe. De naam van het Heilig Bruurke van Megen wordt meer en meer gehoord en vermeld.

sluiten

En noodlottig ongeval
In augustus 1929 schildert hij het plafond in de gang van het gasthuis. De ladder schuift onderuit en zijn voet raakt ernstig geblesseerd. Die zal nooit herstellen en daardoor kan hij de taak van portier niet meer uitoefenen. Wel valt hij graag in voor zijn medebroeder-portier en doet allerlei huiselijke taken. Wanneer hij ook maar enigszins de gelegenheid kan vinden, gaat hij bidden bij het hoofdaltaar van de paterskerk. Daarbij hanteert hij bijna altijd de rozenkrans.

De mensen, die om zijn advies en gebed vragen weten hem te vinden en hij stelt niemand teleur. In het klooster wordt hij respectvol een “bidziel” en ook wel “een levend gebed” genoemd.

Everardus bij God en de mensen

Everardus’ eerste graf

Hij bereikt de hoge leeftijd van 81 jaar. Hij hoopt verenigd te worden met zijn Heer en overlijdt op 22 december 1950 in volle gemoedsrust. Hij wordt begraven op het kloosterkerkhof.

Over zijn leven en sterven wordt alom bericht gegeven. Centraal in die berichtgeving staat: “Hij zal zeker, nu hij in Gods aanwezigheid is, voor onze noden bidden en verhoring vinden.

Lees meer

 

De devotie rond Everardus neemt dan alleen maar toe. Helaas mogen vrouwen niet in de kloostertuin komen. Slechts in de kloosterkerk kunnen zij hun smeekbeden uitspreken, die eigenlijk voor Everardus bedoeld zijn. Mannen en jongens kunnen zo doorlopen naar het graf.

De oplossing is gevonden in het bouwen van de Everarduskapel. In mei 1954 wordt het heilig bruurke herbegraven in zijn kapel, die vanaf de openbare weg toegankelijk is voor iedereen.

Everardus wordt herbegraven.

Tot op de dag van vandaag laten nagenoeg dagelijks vrouwen, kinderen en mannen briefjes achter in de mouw of in de kraag van het beeld van het bruurke met verzoeken tot gebed voor een intentie of een bedankje voor een gebedsverhoring. De minderbroeders betrekken wekelijks deze intenties bij de voorbeden tijdens de eucharistieviering.

sluiten

De grafkapel

Het bruurke niet zalig wel heilig
In januari 1951 wordt pater Heijer gevraagd het leven van Everardus op schrift te stellen. Dat resulteert in het samenstellen van de nodige documenten voor de zaligverklaring. Na een bijstelling zijn ze in 1970 in Rome geaccepteerd en in de la gelegd. Dat laatste als gevolg van de stelling van de franciscaner minderbroeders, dat het “niet meer zou passen in de hedendaagse geloofsbeleving.”

Lees meer

Voor iedereen die Everardus in het leven heeft meegemaakt en de vele bewonderaars die Everardus in hun leven een plaats hebben gegeven, is Everardus onbetwist het heilig bruurke. Er bestaat (nog) geen behoefte aan een formele kerkelijke verklaring van heiligheid.

Men beleeft en vertrouwt op zijn voorspraak bij God en alleen al een bezoek aan zijn kapel geeft de rust en het vertrouwen dat je op schrift gestelde of in gedachten geformuleerd verzoek om steun door bemiddeling van Everardus vervuld gaat worden.

sluiten

Tekst: dhr. Kees van de Wiel, auteur van het boek ‘Everardus dichtbij – Het Bruurke van Megen van 1868 tot heden

Dit boek is te verkrijgen via de webshop!